de brooddoosPo…

de brooddoos

Posted on 1 september 2012

DE BROODDOOS

Plaats genomen op de sofa die, drie-zit breed, me in het midden van het gebloemd overtrek diep in zijn oude schoot liet verzakken volgde ik met geamuseerde aandacht het dartel gedrag van Roger en Staf, twee vrienden en collega’s in de versiering van het dagelijkse leven.
De situatie speelde zich af in de woning van mijn moeder Chickey, die aldaar, vrienden en kennissen, familie en verwanten, gul op boterhammen met toespijs, pain-perdu of chocolademelk met boterpistolets trakteerde.
Het was namiddag en de grote vierkante woonruimte baadde in zonlicht.
Met de rug naar het raam gekeerd, keek ik de kamer in waar op een robuuste keukentafel tegen de achterwand een groengelakte metalen broodtrommel op de linker achterhoek van het tafelblad stond. Een in vlindervorm geslepen spiegel was als wandversiering erboven opgehangen. Het geheel werd geflankeerd door openstaande deuren die toegang gaven tot de keuken links en de overloop, in spreektaal “den allee”, rechts. Vanuit de keuken was er eveneens een doorgang naar den allee wat mogelijkheid gaf de kamer te verlaten door de keukendeur om via de overloop terug binnen te komen.
Chick was niet thuis. Waarschijnlijk even naar de bakker om pistolets te halen, liet ze ons, mij, Staf en Roger, even alleen.
Rogerke was een speelse jonge bassist die goed gezelschap was zolang er plaats gelaten werd voor de nodige grappen, woordspelingen of verbaal gestoei. Ernstige zaken werden moeilijk met Roger bepraat. Een serieus gezicht bracht hem de ademhaling in de war en de angst ongepast in een lach te schieten vervormde daardoor zijn stemgeluid. Opwellingen van intern tumult als deze brachten hem ertoe gesprekken of omstandigheden van gewichtige aard schichtig te mijden.
Desondanks werden penibele situaties dikwijls besloten met een bijna onhoorbaar snikkend lachen, gedempt klinkend vanonder voorovergekruiste armen, het voorhoofd op de tafel schuddend in uitputtende onbedwingbare lachlust.
“Een zenuwachtig manneke” zei iemand me laatst.
En nu, decennia na zijn vroege overlijden, herinner ik me hem vanuit zijn schuif in de koelkamer van ‘t Sint Elisabeth’s mortuarium met ernstig gezicht dood te zijn.
Toen, in de fleurige woonkamer van Chick mijn moeder, met mij in die zetel tussen het roodbebloemd behang, het zonlicht stralend door slierten sigarettenrook, de brooddoos op tafel, toen leefde Rogerke nog volop.
Staf, tweede lid van het team participerend in het verloop der gebeurtenissen, was een academiestudent die zich dagelijks vanaf de linkeroever met spichtige arm en beenbewegingen op de fiets naar Antwerpen duwde. Zich meer thuis voelend tussen ons, muzikanten, dan tussen de kale muren van zijn saaie schildersklas, kwam hij meestal ‘s middags in de Wolstraat als een spin mijn trap opgekropen om samen met ons, Nicole, Paquinta en wie nog meer overbleef na nachtelijk vertier, op het dakterras te ontbijten.
Toen, die namiddag, waren we voor de koffie bij Chick beland en Staf, in vol jolijt en uitgelatenheid, verhief zich vanuit zijn wat schuchtere aard om fier en grootsprakerig op te scheppen over de invloed van zijn charme, welke hij beweerde vanuit zijn ego af te stralen, op het korps van “poezen” zoals hij die categorie van het schone geslacht hongerig noemde.
In overmoed het palet van zijn aura kleurend met tastbaar bewijsmateriaal, produceerde hij een fotootje uit overvolle jaszak met daarop een portret van de door hem begenadigde uitverkorene, ten voeten uit poserend in skipak.
Roger, niet zo ambitieus wat betrof amoureuze aangelegenheden, spartelde zich vanonder de dreigende ernst uit door hem schertsend de foto uit de hand te ritsen en deze, uitdagend lachend, de arm ver naar achter gestrekt, uit het bereik van Staf’s grijpende handen te houden.
Achteruit huppelend, gillend van de lach, verdween hij door de keukendeur, de foto als trofee tussen de vingers. Staf er achteraan. Gestommel van voeten op de overloop. Langs rechts kwam Rogerke terug binnengestormd, nam schuivend over het balatum zijn bocht rond de tafel, wou de keuken insnellen maar werd daarin gestopt door Staf die, in tegenovergestelde richting teruggelopen, grijnzend in het deurgat verscheen.
De jacht werd in omgekeerde richting verder gezet. Als Roger, met Staf achter zich aan langs de overloop verdween, was ik weer alleen in de kamer. Ik zat in mijn zetel, de linkervoet op de grond, het rechterbeen over het linker geslagen, mijn sigaret te roken.
Door de zwaaimaneuvers van de voorbijrennende spelemannen hadden deze de tafel, centraal passend tussen de twee deuren, een tiental centimeter naar rechts verschoven waardoor de rechterhoek van het tafelblad een stukje voorbij het deurgat uitstak.
Pijlsnel binnenrennende Roger stootte zijn heup met zulk een kracht tegen dit puntige uitsteeksel dat de tafel, door de schok voorovergesmakt, haast omgekanteld werd. Echter het kritieke punt bereikt, kwam ze traag, bijna in evenwicht, op de voorste poten te staan.
Wat gebeurde er intussen met de brooddoos?
Door de opwaartse slag van het tafelblad werd deze de kamer ingeworpen en bewoog zich in parabolische baan naar me toe. Onder de vliegende brooddoos stond de tafel op twee poten te aarzelen. Rechts naast de deur hield Rogerke, voorovergebogen, de hand op de zere heup gedrukt. Achter hem, in de deuropening, stond Staf in verstarde loophouding. Beiden volgden met verdwaasde blik de lancering van de groene trommel.
Tijdens de vlucht door de ruimte opende zich de brooddoos. Een dubbelgebakken gallettebrood kwam te voorschijn, verliet zijn behuizing en bewoog zich versneld in mijn richting.
Vanuit mijn houding vroeg het weinig beweging om het rechterbeen op te lichten en met platte schoenzool het naderend projectiel terug te trappen. De geopende brooddoos, nog steeds in baan naar me toe, kreeg het gebak terug in de schoot geknald. Het deksel sloot zich met een slag eroverheen.
De impact sloeg de combinatie weerom naar de tafel toe, welke ondertussen vanuit de twijfelsituatie de optie terugvallen had gekozen, en kreeg in de eindfase de brooddoos weer op het tafelblad gesmeten.
In overeenstemming met de wet op de omkeerbaarheid der dingen stond alles, met een klap, terug zoals het begonnen was.

(uit (“Saxofonistisch bekeken”)
(Mike Zinzen, Antwerpen, 1995)
Advertenties
Aside | Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Een reactie op de brooddoosPo…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s